• Histoire

    Histoire

    Onderweg had ik het al gezien.
    Grote strikken in de bomen.
    Veel lichtjes.
    En in de hal van Croix Rouge stond alles klaar.
    Dozen vol gedoneerde kerstballen.
    Glitters. Slingers. Dertig Pere Noel.
    Alles om licht binnen te halen.
    Zelfs la crèche de Noël, in een hoekje, weliswaar.
    Officieel mag dit namelijk niet.
    Il est né le petit enfant, klinkt het.
    Terwijl heel Frankrijk vergadert over kerststallen in gemeentehuizen.
    Kerst vind je niet daar maar ergens anders.
    Onverwacht.
    Zoals, vierendertig jaar geleden,op Schiphol.
    Achtendertig weken zwanger.
    Dik van geluk en ongemak.
    Man en ik dachten laat, maar niet te laat.
    Toch maar liever Nederland dan Mukumu.
    Deuren van de gate gingen open.
    Overspoeld werd ik.
    Muziek. Licht. Slingers. Tienduizenden kerstballen.
    Verdwalen en thuiskomen tegelijk.
    Zoiets was het.
    Zoiets is het nog steeds.
    Als je emigreert.
    Toen werd het Groningen.
    Een vrouw moet toch ergens bevallen.
    In mijn geval: de geboortestad van mijn ouders.
    En nu herhaalt die geschiedenis zich.
    Want juist dát kind, geboren in Groningen, werd de wereldreiziger.
    Ze plande haar zoon in het Caribisch blauw te baren.
    Maar soms is de wereld groot, en kies je toch voor Almelo.
    L’histoire se répète.
    Levens gaan.
    Generaties draaien.
    Patronen keren terug.
    Blijkbaar.
    Zwervend, maar geworteld.
    Zijn wij.
    Is zij.
    Nog even wachten.
    Dan rijden Man en ik naar Nederland.
    Langs benzinepompen vol plastic kerstbomen.
    Lauw koffie uit de automaat.
    De radio staat te hard: Driving Home for Christmas.
    Het vertraagde ritme van de Route du Soleil in december.
    En dan komen alle oude verhalen tot leven: kerstlichtjes en een kind dat geboren wordt.
    Il est né le petit enfant.

    NB 1: Op 4 december is in Almelo Leo Luke Hassell Kral geboren. NB 2: dit is de laatste blog van 2025, volgend jaar ben ik er weer.

  • Expeditie

    Expeditie

    Ok, het plan leek simpel.

    En zoals wij zijn: vooral optimistisch.

    Nou ja, ik dan.

    Want het voelde als een uitstekende wandelzondag.

    De zon stond laag en helder.

    We hadden goede schoenen.

    Dikke truien. Muts op de kop. En twee iPhones.

    Tuurlijk, we hadden meer vertrouwen dan routekennis,

    maar hé dat is traditie.

    Chat had een route beloofd die klonk als een wandeling voor beginners.

    Een lus van twee uur en driekwart, acht kilometer.

    Een kwestie van lopen, kijken, koekje eten.

    Startpunt: parking bij de mairie van Bordezac.

    Daarna omhoog via Bordezac Croix.

    Volg de gele balisering, stond er.

    En het duurde best even voordat de Cévennen hun tanden lieten zien.

    Het pad werd langzaam rotsachtiger.

    Smaller.

    Stugger.

    En steeds moeilijker te volgen door de vele gevallen bladeren.

    Het bleek slechts de inleiding.

    Want klimmetjes doken daarna op als cliffhangers.

    Tussen de dennen verschenen verse bloedsporen van zwijnen.

    Het winterblauw sneed door de lucht.

    Maar in de verte zagen we de besneeuwde Alpen.

    Dit uitzicht tilde alles naar de categorie episch.

    Maarrrrr beseften we toen.

    Deze wandeling is lang.

    Dit is geen rondje.

    Dit is een expeditie.

    De stappen die we eerst met bravoure zetten,

    veranderden in stappen met geluid.

    Tijdens de afdaling bedacht Man dat liften ook een sport kan zijn.

    Omdat het pad via Col de Peras naar beneden volgen,

    in de plaats van de weg, geen optie meer leek.

    Maar de autoweg bleef leeg en stil.

    Tja, je bent in de Cévennen.

    Gelukkig kwam onze reddende borrelafspraak op tijd de hoek om.

    Nog voor het licht achter de heuvels zou verdwijnen.

    En wij door de avond werden opgeslokt.

    Thuis strompelden Man en ik de trap op.

    Maandag keken we nog maar eens op een papieren wandelkaart.

    Ja ja, tuurlijk moet je dat vóór zo’n wandeling doen.

    Niet erna, met spierpijn en zelfkennis.

    En toen zagen we het pas goed.

    Ons avontuur bleek de 1e etappe van GRP Haute Vallée de la Cèze te zijn.

    Deze etappe is 17,7 km lang, met +916 m klimmen en -507 m afdalen,

    en duurt ongeveer 6 uur.

    Chat vertrouwen lijkt makkelijk.

    Maar een ouderwetse kaart controleren is echt beter.

    Papier liegt niet.

    Nou ja, tenzij het nat wordt.

  • Shein

    Shein

    Soms vind ik een schat.
    Een vintage juweeltje.
    Niks wat je op afstand ziet glanzen.
    Maar als je het oppakt, hé dan klopt het.
    Stevige naden.
    Parelmoer knopen.
    Een stof die oud is op de goede manier.
    Er is ooit iemand geweest die hier liefde en tijd in heeft gestoken.
    Kleding met ziel.
    Ik loop er graag tegenaan, in stukken die iets hebben meegemaakt.
    Omdat ik liever draag wat al een leven heeft gehad.
    En precies dát botst op iets zonder enige ziel.
    Shein. Dus.
    De Chinese online winkel met bodemprijzen.
    En juist zij willen nu fysieke winkels.
    Om te beginnen in Parijs.
    Vorige week speelde het overal.
    Kranten, sociale media, en bij Croix.
    Frankrijk is tegen.
    De Senaat nam deze zomer al een wet aan tegen ultrafast fashion.
    Soms pakken mijn collega’s en ik een Shein-shirtje op bij binnenkomst.
    Voelen de stof.
    Zien het merk.
    Leggen het terug.
    Het hangt niet in de winkel.
    Nooit.
    Want het lijkt nergens op.
    En het staat haaks op alles wat telt.
    Goedkope kleding kopen mensen wel.
    Maar op de markt.
    Of bij Croix.
    Van oude vrouwen en mannen wiens huis is leeggehaald.
    Er zit nog wel eens een naam in geborduurd.
    Van iemand uit een verpleeghuis.
    Soms wordt de naam weggehaald, soms blijft hij zitten.
    Wordt het kledingstuk gewoon gedragen.
    Omdat het stijl heeft.
    Shein opende vorige week zijn eerste winkel in Parijs.
    BHV Marais.
    Drukte, kritiek, demonstraties.
    Politiek, milieu, mode.
    Iedereen heeft iets tegen.
    De overheid dreigt de site offline te halen.
    Sekspoppen met kinderlijk uiterlijk.
    Veertig miljoen boete.
    Shein past hier niet.
    Haaks op alles wat Frankrijk heeft met kleding.
    Terecht verzet.
    Het zwarte vintage blousje met de parelmoer knopen liet zien dat alles wat telt, niet met één klik te koop is.
    Ik verkocht het vanochtend.
    Voor twee euro.
    Kijk, dat is dan weer Croix.

  • Mémé

    Mémé

    Om vijf uur weg uit Les Brousses.
    Om zeven in Almelo.
    Direct naar de Albert Heijn.
    Een kant-en-klaar maaltijd, dacht ik.
    Maar de gevulde speculaas keek me aan.
    De borstplaat ook.
    In een gangpad vraag ik naar chocoladeletters.
    Een AH-meisje kijkt alsof ik Frans spreek.
    Blijkbaar is Sinterklaas iets van vroeger.
    Kerst wint.
    Zaterdag naar Dochters.
    Amsterdam licht op als een etalage.
    Lampjes, slingers, sterren, alles flikkert.
    De Magere Brug glanst als nieuw geld.
    De lucht koud, het water zwart.
    Ons gezin samen op een brug versierd met lichtjes.
    De stad bruist, en wij kijken toe.
    Jongste voorop, met richtinggevoel.
    Hip, druk, duur parkeren.
    De trein was geen optie.
    Want Oudste is zwanger.
    En een zwangere verdient comfort.
    Daarna wacht Almelo.
    The place to be voor Oudste, komende tijd.
    Omdat alles daar soepel verloopt wanneer het er echt op aankomt.
    Iets dat in haar werelddeel minder gebruikelijk is.
    De volgende dag stap ik om acht uur op de fiets.
    Naar de tandarts.
    Een must in Nederland.
    In Frankrijk een ramp.
    Daar wordt pas geleden om tanden en kiezen.
    Op mijn opoe-fiets trouwens.
    Zonder versnelling.
    Zonder motor.
    Gewoon trappen.
    Ik lijk de enige.
    Helmen, lichtjes, haast, alles raast voorbij.
    Ik voel me net een museumstuk.
    Een Mémé op een opoe-fiets.
    Tussen al dat nieuwe leven om me heen.
    Ik trap door.
    Niet snel, maar wel zeker.
    Er waait iets nieuws.
    En ik fiets het tegemoet.

    Mémé = oma

  • Tom-Tom

    Tom-Tom

    Il pleut, on ne marche pas.
    Klinkt als een grap.
    Is het niet.
    In Frankrijk wordt nauwelijks gelopen als het regent.
    Dus dat ik vorige week toch met mijn wandelclub ging,
    kwam doordat ik stoer had beweerd dat Nederlanders bij wind, regen en alles daartussendoor naar buiten gaan.
    Mijn TomTom – de man die elk pad kent en elk gat in de weg – vond dat amusant.
    En dus stuurde hij het bericht:
    Demain on y va.
    Prévoir vêtements de pluie et je ne veux pas entendre une Néerlandaise se plaindre.*
    Tja.
    Terugkeren was geen optie.
    En dus stonden we daar: twaalf mensen in capuchons, dampend.
    We leken op een natte expeditie zonder doel,
    maar mét goede schoenen.
    Onze wandelroutes kennen geen bakker op de hoek, geen kleine cafeetjes,
    alleen paden, afslagen en hellingen.
    De eerste meters wordt er nog gepraat en gelachen,
    maar na de eerste klim en tweede daling valt het stil.
    Het enige wat je dan nog hoort:
    ademhaling.
    Het ritme van schoenen.
    Bijna ieder dorp heeft hier een centre culturel of maison des associations.
    Daar kun je alles doen: keramiek, yoga, Engels leren,
    of dus met een wandelclub op pad.
    Kosten?
    Twee euro per keer en vaak met subsidie van de gemeente.
    Een sportabonnement kent men hier nauwelijks.
    Dat hele systeem van betaalde sportscholen is meer iets voor Nederland.
    Daar loop je op een band,
    met spiegels, airco en beatmuziek.
    Altijd droog. Altijd hetzelfde tempo. Altijd dezelfde playlist.
    Maar ik ken eigenlijk niemand die daarheen gaat.
    De wandelclub is eenvoudiger.
    Hier loop je gewoon mee. Twee euro in de pot en gaan.
    Geen apparaten. Geen muziek. Geen abonnement.
    Wind en zon in je gezicht.
    Overal in Europa neemt het aantal wandelaars toe.
    Duizenden clubs. Miljoenen stappen.
    Boekwinkels vol pelgrims en schoenen met een verhaal.
    Misschien zoeken we allemaal hetzelfde:
    rust met een beetje zweet.
    Lopen als langzaam denken.
    Want de natuur hier ligt niet achter de A12, voorbij de A2, de A4 of de A6,
    waar af en toe nog een boom staat die eigenlijk in de weg staat.
    Nee.
    Hier is de natuur niet bang voor stilte.
    Al zwijgt ze nooit helemaal.
    Er fluistert altijd iets.
    Een vogel. De wind.
    Of je eigen voetstappen.

  • Tong,lever,nieren

    Tong,lever,nieren

    Als je van orgaanvlees houdt, kun je in Frankrijk je hart ophalen.
    Voor de minder avontuurlijke eters: deze blog wordt even slikken.
    Letterlijk.
    Want hier verdwijnt geen lichaamsdeel.
    Van kop tot staart: alles ligt bij de slager.
    Tong.
    Lever.
    Nieren.
    Poten.
    Hersenen.
    Darmen.
    Nu is dit mij allemaal niet vreemd, want ik groeide op met niertjes.
    Mijn moeder maakte ze, of lever met uitjes.
    En tong — het verborgen juweel van de koe, noemde ze dat.
    Ik groeide op in een tijd van slogans als:
    ‘Melk is goed voor elk.’
    ‘Een ei hoort erbij.’
    Vlees eten was normaal.
    Niemand, echt niemand, vroeg zich af hoe de koe heette.
    Maar dat is veranderd.
    De slager van nu verkoopt alleen nog spier.
    De rest verdween samen met de zondagse bloemetjesschorten.
    Maar hier dus niet.
    Frankrijk houdt van z’n beesten — dood of levend.
    Ze eren het dier door alles te gebruiken.
    Vlees eten is hier geen taboe.
    Spiervlees kost rond de zestien euro per kilo.
    In Nederland?
    Eenentwintig.
    Maar hier gaat het niet om de prijs.
    Het gaat om alles wat de koe geeft.
    De kop-tot-staarttraditie leeft hier nog.
    Niet alleen spier.
    Het hele dier wordt geëerd.
    Kijk naar de worsten bij de slager in de supermarkt.
    Bak na bak in alle kleuren.
    Vers.
    Niks geen voorverpakte merken van Jumbo of Plus.
    Maar wat er precies in zit?
    Daar heb ik ook geen idee van.
    Ze liggen daar onbedekt, met prachtige namen:
    Chipolata, Saucisse de Toulouse, Saucisse de Morteau, Boudin blanc, Boudin noir.
    Frankrijk heeft, net als Nederland, een Partij voor de Dieren.
    Maar impact?
    Nul komma nul.
    Op het platteland zie je geen sociale transformatie zoals in Nederland.
    Dieren zijn hier iets anders.
    Ze heten vee.
    Varkens.
    Koeien.
    Kippen.
    Geen huisdieren.
    Niet beschermd tegen uitbuiting.
    Wie hier woont,
    leert respect voor de hele keten.
    Voor het gemak waarmee alles wordt gegeten.
    Voor de chaos in een bak worsten.
    Voor de geur, de kleuren, de namen waar je geen touw aan vast kunt knopen.
    Hier lijkt vlees eten volkomen normaal.
    Taboe? Non. Hooguit een traditie.

  • Babakoul.

    Babakoul.

    Ik hoorde het woord voor het eerst op de markt.
    Babakoul.
    Zo werd het uitgesproken.
    Béétje minachtend leek het.
    Ik dacht eerst nog dat het iets gezelligs was.
    Een soort bijnaam voor rijke hippies in linnen broeken met lavendelzeep.
    Maar nee, dat was het niet.
    Babakoul bleek allesbehalve een geuzennaam.
    Het was afgeleid van baby cool, of be cool.
    In Frankrijk, in de jaren ’60–’70, verbasterd tot baba cool.
    Term voor hippies, alternatieven, naturisten, drop-outs.
    Voor mensen met lang haar, sandalen, geitenwollensokken.
    Patchouli hing in de lucht.
    Brood bakkend in communes.
    Ja, Frankrijk kent zijn eigen hippiegeschiedenis.
    Vanaf de jaren ’70 trokken jongeren uit Parijs, Lyon en Marseille naar de Ardèche en de Cévennes.
    Retour à la terre.
    Voor een habbekrats kochten ze verlaten boerderijen of kraakten huizen.
    Sommigen werden bio-boeren avant la lettre.
    Anderen raakten afgedreven naar alcohol, dakloosheid of drugs.
    Die cultuur leeft vandaag nog wel, maar is verweerd.
    Er bestaan nog wel communes.
    Gepensioneerde hippies, nog steeds rebels, maar nu met zonnepanelen.
    Naast hen is er een nieuwe generatie.
    Neo-babas, zeg maar.
    Of, zoals ze nu heten, zonards.
    Mensen die niets doen.
    Geen idealistische hippies.
    Maar buitenstaanders.
    Mensen zonder baan.
    Afhankelijk van RSA (€607 p/m).
    Niet langer bewonderd.
    Getolereerd.
    Meewarig bekeken.
    Ze hangen bij de supermarkt, bedelend om wat kleingeld voor een blik bier.
    Vaak met een hond aan hun zijde.
    Niet uit liefde voor het dier.
    Maar uit voorzorg.
    Wie een hond heeft, wordt minder snel opgepakt.
    Want ja, waar moet die hond heen.
    Babakouls slapen soms in tenten, soms in halflege huizen.
    In de zomer nog wel te doen.
    In de winter niet.
    Dus dan komen ze het Rode Kruis binnen gelopen.
    De babakouls van 2025.
    Dat één woord zo kan verschuiven.
    Van droom naar diagnose.
    Van bloemen in het haar tot een blik bier in het gras.
    Vrij zijn.
    Niet meedoen.
    Niet langer romantisch.
    Maar gewoon koud.

  • Vakantie

    Vakantie

    Vier jaar Zuid-Frankrijk.
    En nog altijd dat lichte vakantiegevoel.
    Permanent.
    En het wonderlijke is: het slijt niet.
    Niet omdat ik niets doe.
    Integendeel.
    Rond de mas met haar enorme lap grond is er altijd wel iets te doen.
    Mijn zomergarderobe mag dan nog niet opgeborgen zijn.
    Voor bomen en struiken gelden andere regels.
    Tijd om de bladeren van paden en terrassen te vegen.
    Zodat er straks met de regen geen bruine smurrie ontstaat.
    Ook nog even het onkruid wieden.
    Want die ettertjes blijven altijd terugkomen.
    Goten leegmaken vóór de regen valt.
    Groene aanslag afkrabben.
    Zwijnen verjagen.
    Het houdt je bezig tot in lengte van dagen.
    Sterk en stram tegelijk ben ik.
    En toch voelt het niet als werk.
    Misschien omdat er geen druk is.
    Geen maandag-ik-begin-echt-vandaag-onzin.
    Geen vrijdagmiddag-met-hèhè-gevoel meer.
    Nooit meer een automatische mail die laat weten dat ik er niet ben.
    Vroeger ging ik eropuit om nieuwe energie op te doen.
    Nu gebeurt dat hier dagelijks terwijl ik bezig ben.
    Het universum lijkt opnieuw gerangschikt.
    De volgorde van mijn dagen is veranderd.
    Hout halen voelt niet meer als een karwei.
    Maar als een gewoonte.
    Onkruid wieden is niet opruimen.
    Maar ruimte creëren.
    Buiten én in mijn hoofd.
    Soms trek ik meer los dan ik van plan was.
    Soms groeit er nóg meer terug.
    Ik lees niet meer alleen in vakanties.
    Ik lees omdat ik zin heb.
    Ik reis niet om te ontsnappen.
    Ik ga naar Arles om geraakt te worden door Van Gogh.
    Door het licht dat de stad goud kleurt en hem nieuwe energie gaf.
    Het onderscheid tussen vakantie en het dagelijks leven is vervaagd.
    Misschien is dit het geheim van het leven op je vierenzestigste.
    Dat je vanzelf in een rustiger tempo terechtkomt.
    En dat er niets meer is dat je opjaagt.
    Vrij zijn ván.
    Vrij zijn tót.
    Vrij zijn vóór.
    Misschien ís dat vakantie.

  • Stem

    Stem

    Ik probeer het rationeel te houden.

    Stemmen is tenslotte geen gok,

    maar een afweging.

    Alleen,

    hoe langer ik hier in Frankrijk ben,

    hoe verder Nederland wegzakt.

    Alsof het verschuift naar een andere kamer in mijn hoofd.

    Niet uit onwil.

    Maar de afstand tot het land blijft.

    Al is afstand is wel iets anders dan onverschilligheid.

    Maar is er geen ontkomen aan.

    Die verkiezingen, die komen eraan.

    Ik weet dat, want NL Ziet en de Volkskrant herinneren me er hier dagelijks aan.

    Interviews.

    Statements.

    Talkshows.

    De voorspelbare dans van verontwaardiging en verleiding.

    Ik lees en zie ze bijna allemaal.

    Want ergens in al die ruis moet ik wéér bepalen waar ik voor sta.

    Vanuit mijn gehucht, waar geen woningnood, geen files of migrantenpolitiek is.

    Mijn dagelijks leven speelt zich in een andere wereld af.

    Maar mijn achtergrond niet.

    Het land waar ik vandaan kom is nog steeds van mij.

    Alleen voelt het echt anders als je er niet meer woont.

    Ik sta toch ergens langs een zijlijn.

    Maar blijf stemmen.

    Niet omdat ik denk dat mijn stem alles verandert.

    Maar verdwijnen begint klein, hè.

    Met zwijgen.

    Met niet meer luisteren.

    Met niet meer kiezen.

    Dus dat hokje , dat hokje houdt me erbij.

    De keuze is overigens opnieuw lastig.

    Wat weegt er zwaarder: verstand of gevoel?

    De ironie van mijn commentaar op Nederland ontgaat mij trouwens niet.

    Want ook dit land kraakt, morrelt en hapert.

    Nog geen maand na zijn aantreden vertrekt hier alweer een premier,

    of toch maar weer niet.

    Crisis is in Frankrijk de normale stand van zaken.

    In dat licht loopt Nederland in pas.

    We doen alleen alsof het bij ons uitzonderlijk is.

    Maar ik blijf stemmen in mijn moederland.

    Ik weet het, het is een dunne d(r)aad.

    Maar nodig.

    Zeker nu volume vaak zwaarder weegt dan inhoud,

    en feiten vooral tellen als ze in je straatje passen.

  • L’arbre à pain.

    L’arbre à pain.

    In één keer stort alles naar beneden.
    Gekleurde bladeren.
    Temperaturen dalen.
    En honderden kilo’s kastanjes.
    L’arbre à pain heten ze hier.
    Broodbomen, omdat mensen er vroeger van leefden.
    Je kon er namelijk van alles van maken, van die kastanjes.
    Pap.
    Meel.
    Koek.
    Overleven in bolvorm, zeg maar.
    Maar mij lukt dat niet.
    Ik vind ze mooier dan lekker.
    Dus voor mij geen crème de marron.
    Geen kastanjeconfituur.
    En al helemaal geen kastanjecake.
    Zelfs als het in Amsterdam superfood wordt genoemd, eet ik geen aarde.
    Maar toch raap ik ze wel op.
    Al wandelend.
    De oneetbare, dat spreekt voor zich.
    Paardenkastanje.
    Bol, glad, charmant, glimmend als gelakt hout.
    Koel en zwaar in mijn hand.
    Vol magie, zeiden mijn wandelmaatjes woensdag.
    De kastanje is een belangrijk onderdeel van de collectieve verbeelding van de Cevennen.
    Een krachtig symbool van de streek.
    Vroeger plantte men de kastanjeboom altijd naast de boerderij, zeiden ze.
    Voor de heks.
    Dan had zij een huisje.
    En liet ze de bewoners tenminste met rust.
    De heks verscheen trouwens vaak als uil.
    Hoorde je oehoe vanuit de paardenkastanje, dan wist je genoeg.
    Niet schrikken.
    Dat is gewoon de vaste bewoonster.
    Ik buk nog een keer.
    Laat de glimmende kastanjes door mijn vingers glijden.
    Een moment van herfstbezwering.
    Mijn persoonlijke afweer tegen de ellende des levens.
    Dat kan nooit kwaad.