Er kan er maar één zijn

Karel was de koning.
De koning van de Quatre Bras.
Zeven jaar geleden kwam hij daar aanlopen.
En besloot te blijven.
Niet bij mij.
Maar hij bleef wel bij mij.
Karel is een soort hond.
Komt naar je toe als je aan komt rijden.
En als ik onkruid wied, springt hij op mijn rug.
Reageert op een fluitje.
Coco niet.
Coco is anders.
Die kreeg ik te vroeg.
Bleef een katje dat behoorlijk miauwen nooit onder de knie heeft gekregen.
Ander beest, ander karakter.
Ander geheugen ook.
Op dag twee leek Coco al vergeten dat hij ooit ergens anders had gewoond.
Karel niet.
Aan de overkant van de weg lag zijn oude huis.
Een paar passen.
Maar voor Karel was het een compleet andere werkelijkheid.
Ik hield ze binnen.
Vijf weken.
Karel wist precies waar de deuren waren.
Ik probeerde het met een tuigje.
Geen succes.
Plat op zijn buik.
Ogen op de de poort.
Klaar om te springen.
En te ontsnappen.
Wat een keer lukte.
Rechtstreeks naar het oude huis.
Ik riep hem.
Waar gaan wij heen?
Hij stopte.
Zowaar.
Ik kon hem oppakken.
Morrend ging-ie mee naar huis.
Maar het was duidelijk.
Karel wist waar hij naartoe wilde.
De verhuizing was voor ons een besluit.
Voor hem blijkbaar niet.
En toen kwam de dag dat het kattenluik openging.
Coco bleef in de buurt.
Karel vertrok.
Linea recta naar Mas Quatre Bras.
Ik wist het.
Ik had het kunnen voorspellen.
Maar drie uur later was hij terug.
Kwam naar me toe.
Sprong op mijn rug.
Zoals altijd.
Daarna ging-ie naar binnen en at.
Alsof hij daar even afscheid had genomen.
En nu liggen ze dus op de bank.
De koning en zijn onderdaan.
Want Karel heeft voorlopig geen enkele reden gezien om afstand te doen van zijn functie.
Hij heeft gewoon een nieuw paleis.