Auteur: Claire Blue

  • (Bakker) Léo

    (Bakker) Léo

    Vijf jaar geleden merkte ik het al.
    Het zijn vooral de mannen.
    Vroeg in de ochtend.
    Met een baguette onder hun arm.
    Niet één of twee.
    Nee, een gestage stroom.
    Ze groeten elkaar.
    Ze maken een praatje.
    Alsof het toeval is.
    Terwijl iedereen weet hoe laat de bakker opengaat.
    Vrouwen zie ik weinig.
    Die komen later.
    Als de werkdag al begonnen is.
    Wat overblijft zijn de mannen.
    Mannen met tijd.
    Sinds een aantal maanden brandt de oven weer in Molières-sur-Cèze.
    Le Pain de Léo.
    Dat lijkt een kort berichtje.
    Maar daarvoor was de bakkerij ruim anderhalf jaar dicht.
    Een gat in het ochtendritueel.
    Want in een gehucht als dit is een bakker immers geen gewone winkel.
    Waarom begin je juist hier een bakkerij?
    Ruim duizend inwoners.
    Veel gepensioneerden.
    In een streek waar mijnen al decennia zwijgen.
    Waar industrie verdween, maar mensen bleven.
    En een baguette kost tussen de € 1,10 en € 1,30.
    Daar houd je geen grote winst aan over.
    Een dorpsbakker leeft niet van één brood.
    En ook niet van tien.
    Hij leeft van gewoonte.
    Van mensen die iedere ochtend terugkomen.
    Morgen weer.
    En overmorgen ook.
    Steeds rond dezelfde tijd.
    Een paar honderd broden moeten iedere ochtend de deur uit.
    Terwijl mensen nog slapen, is de bakker wakker.
    Het deeg rijst.
    De oven heet.
    Vers moet het brood in de schappen liggen.
    Want de eerste uren van de ochtend bepalen de hele dag.
    Een brood dat vanmiddag nog in de mand ligt, wordt morgen geen vers brood meer.
    Brood laat zich niet uitstellen.
    Brood hoort bij een ritme.
    Net als de mannen die ik iedere ochtend zie.
    Ze halen een baguette.
    Maar ook een praatje.
    Een reden om de deur uit te gaan.
    En in Molières-sur-Cèze is dat misschien wel net zo belangrijk als het brood zelf.

    NB.
    De komende weken verschijnt er even geen blog.
    Dochter komt met kleinzoon.
    Toeval bestaat.
    Hij heet Leo.

  • Coco

    Coco

    ‘Of ik een witte legging had?’ vroeg ze.
    Tuurlijk.
    Want hé, Croix doet niet aan mode.
    Nou ja… dat is ook niet helemaal waar.
    Afgelopen najaar was ik een paar dagen in Parijs.
    En daar bleek bruin ineens het nieuwe zwart te zijn.
    Dus eenmaal terug heb ik de winkel omgegooid.
    ‘Parijs heeft het voor het zeggen,’ riep ik.
    Wonderlijk genoeg werkte de collectie ook nog eens mee.
    Maar goed,
    ik dwaal af.
    Terug naar die buurvrouw.
    Een korte witte legging zocht ze.
    Maat XS.
    En ik vond hem.
    Dus liep ik, zoals iedere vrijdagochtend, de bocht om voor koffie.
    Dit keer met die witte legging onder mijn arm.
    Mijn buurvrouw woont nog geen honderd meter verder.
    In een huis dat al jaren te koop staat.
    Met oude vitrage achter de ramen.
    Verweerde kozijnen.
    Waar de was buiten hangt als het weer het toelaat.
    Ik loop de trap op en sta meteen in de woonkamer.
    Ze zit al aan de koffie.
    Iedere vrijdag hetzelfde.
    En achter een van de ramen zit Coco.
    Mijn buurvrouw kocht hem dertig jaar geleden bij een soort Briconaut.
    Dat kon toen nog.
    Inmiddels zijn zij, Coco en het huis samen ouder geworden.
    Het huis lijkt niet van plan te veranderen.
    Donkere eiken kasten.
    Een stenen vloer.
    Een gasfornuis met oven.
    Geen enkel meubel dat zich ooit iets van woontrends heeft aangetrokken.
    Niks Ikea.
    Altijd koffie.
    Een sigaret.
    En voor Coco cashewnoten.
    Deze keer draagt mijn buurvrouw trouwens geen witte legging, maar een felgroene jurk.
    Precies dezelfde kleur als Coco.
    Dat kan hier, in Les Brousses.

  • Juni.

    Juni.

    Ineens was het weer warm.
    Het tropenrooster meldde zich vanzelf.
    De dagen beginnen voor zeven uur.
    Eerst de prooien van de nacht opruimen.
    Een muis.
    Een slangetje.
    Pas daarna krijgen Karel en Coco ontbijt.
    Alles heeft hier zijn volgorde.
    Ik trek mijn baantjes.
    Katten langs de rand.
    Na een tijdje verdwijnen ze.
    Onder een struik.
    Op een stoel.
    Op plekken waar de schaduw blijft hangen.
    Dieren volgen de zomer zonder vragen.
    De mens doet dat minder vanzelf.
    Juni 2025 was ook warm.
    Maar niet zo vroeg.
    Niet zo lang.
    Wie nog in de tuin werkt, doet dat voordat het licht te scherp wordt.
    Je hoort een hark.
    Een snoeischaar.
    De buurman zegt: “Il commence à faire chaud.”
    Potten met bloemen zijn verhuisd naar schaduwrijke plekken.
    Mijn yogalessen zijn gestopt voor dit seizoen.
    De wandelgroep heeft elkaar bon été gewenst.
    Tot september.
    De dagen worden langer.
    Er gebeurt minder.
    Over twee weken komt de stroom vakantiegangers op gang.
    Langzaam komen ze de Franse dorpen binnen.
    Ze lijken geen last te hebben van de hitte.
    Wandelend op momenten waarop hier niemand meer loopt.
    Fietsend wanneer de lucht zwaar is.
    Liggend bij het zwembad wanneer de zon het felst is.
    Rond twee uur verschijnen ze op de terrassen.
    Op zoek naar een lunch die allang voorbij is.
    Ze blijven even staan.
    Zeggen dat het hier rustig is.
    Wat klopt.
    Want de Fransen hebben dan allang gegeten.
    Na de lunch valt het stil.
    Alsof het dorp zichzelf heeft uitgezet.
    Zelf houd ik me schuil.
    Met een boek.
    In een kamer met airco.

  • Vive le drapeau.

    Vive le drapeau.

    Tijdens de jaarvergadering van Croix Rouge luisterde ik met mate.
    Cijfers werden besproken.
    Commissies benoemd.
    Besluiten genomen.
    Kortom, er werd vergaderd zoals Fransen kunnen vergaderen.
    Ik dommelde een beetje.
    Tot die dia verscheen.
    Over twee heren die waren benoemd tot porte-drapeau.
    Pardon, dacht ik.
    Vaandeldragers.
    Dat is dus Frankrijk.
    Ineens zag ik die vlaggen overal.
    Nu het voetbal weer bezig is, helemaal.
    In Nederland kleurt alles oranje.
    Maar in Frankrijk gaat dat anders.
    Hier verschijnen vlaggen.
    Aan gevels.
    Aan balkons.
    In voortuinen.
    Zodra het elftal speelt, duikt overal de tricolore op.
    Maar die vlag is meer dan een voetbalattribuut.
    Bij Croix Rouge hebben ze er twee mannen voor.
    Porte-drapeau.
    Mijn buurman vindt trouwens dat ik niet hoef te kiezen tussen oranje of tricolore.
    Nederland doet alleen mee omdat er anders niet genoeg deelnemers waren.
    Dat beweert hij ieder toernooi weer.
    En ieder toernooi klinkt hij even tevreden.
    Vanmiddag heeft mijn buurvrouw de vlag opgehangen.
    Als Frankrijk wint, blijft hij hangen.
    Vive la France.

  • Compromis de Vente

    Compromis de Vente

    Gisteren hebben we het de wereld verteld.

    Dat de Compromis de Vente rond is.

    Dat de wettelijke bedenktijd van tien dagen voorbij is.

    Iedereen die ooit een huis in Frankrijk kocht of koopt kent dit woord.

    Compromis de Vente.

    Klinkt eenvoudig.

    Alsof je het uitspreekt en daarna weer verder gaat met de dag.

    Maar zo is het niet.

    Want tussen al die officiële woorden leeft iets anders.

    Iets wat nergens in een document past.

    Iets wat geen notaris vastlegt.

    Sommige veranderingen worden namelijk pas voelbaar als ze definitief zijn.

    Feit is dat Man en ik de Mas gaan verlaten.

    De plek waar we vijf jaar hebben gewoond.

    En Karel en Coco hun hele kattenleven.

    De binnenplaats.

    De stenen die ’s zomers warm worden en ’s winters koud blijven.

    En alles wat daar verder ongemerkt bij is gaan horen.

    Meer dan je op een verhuislijst kwijt kunt.

    Dat verhuizen blijft trouwens een merkwaardig fenomeen.

    Dat begint niet op de dag dat de dozen zijn ingepakt.

    Het begint op het moment dat een handtekening verandert in een afscheid.

    Dat je nog precies hetzelfde leeft als gisteren, maar weet dat niets meer helemaal

    hetzelfde is.

    Als het gaat zoals het nu gaat, doen we dat midden september.

    Voor de dertiende keer.

    Alsof bewegen ons beter afgaat dan blijven.

    Of misschien omdat Man en ik inmiddels weten hoe het voelt

    om opnieuw te beginnen.

    Het huis waar we naartoe hopen te gaan ligt op een andere heuvel in Les Brousses.

    Met oprijlaan die steiler is dan mijn rijlessen ooit hebben durven oefenen.

    En toch…..

    Sommige dingen leer je niet in theorie.

    Niet in een voorbereiding.

    Niet op papier.

    Maar pas wanneer je er werkelijk voor staat.

    Misschien is dat wat verhuizen is.

    Niet het verplaatsen van dozen maar het verschuiven van een leven.

    Een tafel hier.

    Een stoel daar.

    Sommige herinneringen neem ik mee.

    Andere laat ik achter.

    Tenminste, dat denk ik.

    Want huizen liet ik achter, maar de tijd die ik er doorbracht bleef.

    N’aie pas peur d’essayer, zeggen de Fransen.

    Man en ik zien wel weer waar we uitkomen.

    Maar eerst de volgende Compromis de Vente.

  • De revolutie

    De revolutie

    Woensdagochtend.
    Zoals altijd stonden we eerst wat te praten voor we gingen lopen.
    Over het weer.
    Over knieën.
    Over wie er deze week eindelijk een afspraak in het ziekenhuis had.
    Toen zei ik:
    “Ik heb nieuws.”
    Ze keken op.
    Ik had iets opmerkelijks gelezen in Midi Libre.
    Meer bier dan wijn in Frankrijk.
    Ik herhaalde het nog eens.
    Meer bier dan wijn.
    In Frankrijk.
    Ik schrok er een beetje van.
    Alsof de krant had gemeld dat de Tour voortaan op elektrische fietsen wordt gereden.
    Mijn wandelvrienden lachten.
    Natuurlijk lachten ze.
    Maar niemand zei:
    “Onmogelijk.”
    Dat viel me op.
    Volgens een van hen was het vrij simpel.
    “C’est le prix.”
    Voor 89 cent koop je een biertje.
    Voor wijn moet je al beginnen rekenen.
    Vier euro.
    Vijf euro soms.
    En dan proef je vooral de teleurstelling.
    Zei Vincent, beter bekend als Tom-Tom.
    Onze routeplanner.
    We liepen verder.
    Langs wijngaarden.
    Kilometers druivenstruiken.
    Rijen vol.
    Alsof er niets aan de hand was.
    Aan de rivier zat een man in een trainingsbroek.
    Een blik bier naast zich.
    Een stokbrood onder zijn arm.
    Achter hem lag de wijngaard.
    Bordeaux.
    Bourgogne.
    Champagne.
    De heilige drie-eenheid.
    Maar voor hem stond een koelbox.
    En de man nam een slok bier.
    De revolutie is compleet.

  • Tabac

    Tabac

    Maandagochtend Molières-sur-Cèze.
    Ik haal de navette op.
    De witte Peugeot van het sociaal centrum.
    LE CENTRE op de ramen.
    Voor één euro vijftig naar Saint-Ambroix.
    Intermarché.
    Lidl.
    Carrefour.
    Het wekelijkse uitje.
    De navette staat voor de tabac.
    Altijd voor de tabac.
    Naast de bakker de laatste winkel van het dorp.
    Sigaretten.
    Krasloten.
    Gasflessen.
    Vergeelde affiches van loto-avonden achter het raam.
    Boven de deur het rode tabac-bord.
    Dat rood hoort bij Frankrijk.
    Zelfs in dorpen waar bijna niets meer over is.
    Iedere maandag hetzelfde.
    Sigaretten halen.
    Even praten.
    Dan weer instappen.
    Bijna iedereen rookt.
    Gewoon openlijk.
    Alsof het 1998 is.
    In Nederland verdwijnen de sigaretten steeds verder uit beeld.
    Hier staat de tabac gewoon midden in het dorp.
    De deur open.
    Mensen lopen in en uit zonder haast.
    Ooit was dit een rijk mijndorp.
    Nu wonen er vooral ouderen.
    Mensen die tellen tot het einde van de maand.
    Juist hier blijft de tabac belangrijk.
    Niet alleen voor de sigaretten.
    Maar als vast punt in de dag.
    Een plek waar nog wordt gepraat.
    In de grote steden verandert alles snel.
    Hier niet.
    Niet iedereen heeft haast om het oude leven op te ruimen.

  • Dr.Bernard

    Dr.Bernard

    Hoe het is”?,
    vraag ik,
    als ie rond half twee thuiskomt voor zijn dagelijkse stokbrood.
    “Weer alleen,” zegt hij.
    Dat gebeurt steeds vaker.
    Collega’s zijn er nog nauwelijks.
    Na bijna vijf jaar kennen mensen Man wel.
    De Nederlandse huisarts met zijn gele Toyota hybride.
    Grijze kop.
    Loopt een beetje voorover tegenwoordig.
    Soms staat die auto half in de berm bij een huis met gesloten luiken.
    Zo’n gehucht waar na zes uur niks meer beweegt.
    De assistentes nemen de telefoon bijna niet meer op.
    Niet omdat ze geen zin hebben.
    Maar omdat er geen beginnen aan is.
    Tegen de tijd dat één patiënt buiten staat, wachten er alweer drie.
    Mensen rijden hier een uur voor een herhaalrecept.
    Er zijn dorpen waar de dichtstbijzijnde huisarts tientallen kilometers verderop zit.
    Dat is geen uitzondering meer.
    Dat is hoe het nu is: minder toegankelijkheid, minder beschikbaarheid.
    Gemiddeld vragen zo’n drie mensen per dag of Man nog nieuwe patiënten aanneemt.
    Wil Molières-sur-Cèze hem graag.
    Want er zou een maison de santé komen.
    Dat klinkt groter dan het is.
    Een pand met een arts.
    Een kinesist.
    Misschien een verpleegkundige.
    Een pharmacie ernaast.
    Een vooral een grote parkeerplaats.
    In de Lozère is bijna de helft van de huisartsen ouder dan zestig.
    In de Cévennen hetzelfde verhaal.
    Praktijken zonder opvolger.
    Huizen waar ooit een dokter zat.
    En waar nu hortensia’s voor de deur staan.
    Désert médical noemen ze dat.
    Medische woestijn.
    Gewoon in Frankrijk.
    De wachtkamer zit ondertussen vol.
    Soms zegt Man dat het “vandaag wel meeviel”.
    Weet ik genoeg.
    Dan valt het niet mee.
    Maar heeft Man er voor die dag vrede mee gesloten.

  • Gewoon gestolen

    Gewoon gestolen

    Soms maak je dingen mee.
    Van die momenten dat je denkt: serieus.
    Gebeurt dit nou echt.
    Deze week dus.
    Kringloopwinkels zijn hip.
    Eén TikTok-filmpje en half Frankrijk duikt ineens in de bakken.
    Onze winkel van Croix-Rouge ook.
    Schatkamer.
    Voor wie weinig heeft.
    En voor wie wil verdienen.
    Dus op de markt van Saint-Ambroix zie ik ze hangen.
    Onze spullen.
    Drie keer zo duur.
    Weinig aan te doen.
    En ja.
    Er hangt ook veel rommel.
    Dus misschien denk je: ach.
    Als er iets verdwijnt.
    Wie merkt dat.
    Nou.
    Wij dus.
    Deze keer: een zomerjas van Desigual.
    Vijf euro.
    Naast de kassa.
    Een uur later.
    “Verkocht?”
    “Eh… non.”
    Weg.
    Was.
    Ie.
    Gewoon gestolen.
    Zonder twijfel.
    Zonder betalen.
    Zaterdag speurden we op de markt.
    Kringloopdetectives.
    Niets gevonden.
    En toen was het dinsdag.
    Inbraak.
    Kluis gekraakt.
    Duizend euro weg.
    Hoe wanhopig moet je zijn.
    Om dit bij Croix-Rouge te doen.
    De plek waar mensen juist komen halen wat ze nodig hebben.
    Met stomheid geslagen waren we.
    En nu is het dus anders.
    Tassen mogen niet meer mee naar binnen.
    Alles laten zien en alles controleren.
    Want:
    “Car les gens qui volent n’ont pas de vie privée.”
    “C’est le risque du métier.

    *Mensen die stelen hebben geen privéleven.
    *Dat is het risico van het vak.

  • Asperges en aardbeien

    Asperges en aardbeien

    Opeens zomer.
    26 april,
    en achtentwintig graden.
    Zwembaden open, al ligt er geen Fransman of Belg in.
    Water onaangeroerd.
    Alleen Nederlanders doen alsof kou iets is wat je kunt trainen.
    Ik ben daar inmiddels één van.
    De nachten geven zich nog niet helemaal gewonnen.
    Maar in de Cevennen schuift het van bloesem naar blad.
    Het landschap schakelt door.
    Tijm en rozemarijn worden wakker.
    Asperges en aardbeien liggen naast elkaar op de markt alsof dat logisch is.
    Hét overlappende moment tussen winter- en zomerteelt.
    Hier wel.
    In mijn vorige leven gedijde ik op plekken waar vooral mensen samenkwamen.
    Veel mensen.
    Daar liepen geen wijnranken uit.
    Af en toe een klaproos.
    De natuur was bijzaak.
    Een plek om naartoe te gaan.
    Niet om in te leven.
    Vijf jaar geleden veranderde dat.
    Man en ik namen een radicale beslissing.
    En de stad liet zich makkelijker los dan gedacht.
    Nu valt de zonsondergang op mijn slaapkamerraam.
    Alles buiten het platteland voelt als een stap terug.
    Je moet ertegen kunnen dat hier weinig gebeurt.
    Nou ja.
    Er gebeurt wel van alles.
    Maar dan in de natuur.
    Aardbei naast asperge.
    Zo ligt het hier.