Croix-Rouge, afgelopen donderdag.
Even stond ik buiten.
Net toen liep er een vrouw voorbij.
Jaar of zeventig.
Kordaat.
Rechte rug.
Stevige pas.
Blik vooruit.
Alsof de wereld haar niet kon afleiden.
Helaas vergat ze de regenpijp.
Tok.
Doffe klap.
Geen goed geluid.
Ze greep naar haar hoofd en zakte langzaam naar beneden.
Alsof iemand heel beheerst het licht uitdeed.
Witte jas.
Wit gezicht.
Beetje bloed.
Iets ouds in mij sprong aan.
Hand onder haar hoofd.
Druk op de wond.
“Bel 15,” zei iemand.
Maar zij was me voor.
“Non, non, pas le 15.
Pas les pompiers.
Je ne veux pas aller à l’hôpital.”
Geen ambulance.
Geen ziekenhuis.
Alsof dát het echte drama was.
In Frankrijk bel je bij medische nood 15, de Service d’Aide Médicale Urgente.
Of de pompiers komen.
Brandweer en ambulance in één.
Ze nemen je mee naar de urgences.
En dan begint het wachten.
Uren soms.
In Nederland denk je nog: ik ga even langs de huisarts.
Daar zit iets tussen vallen en infuus.
Hier niet.
Hier is het meteen groot.
En groot betekent ziekenhuis.
Dat wilde zij niet.
Nou ben ik geen verpleegkundige meer.
maar bénévole.
En als bénévole mag je officieel maar één ding.
15 bellen.
Heb ik geleerd in de cursus bij Croix-Rouge.
Bij elk scenario.
Bij ieder dilemma.
Altijd 15.
Netjes Frans handelen.
Maar met mijn handen in haar bloed won iets anders.
En dus werd wond afgedrukt.
Kwam er een stoel uit de winkel.
Koffie.
En een koekje.
Langzaam kleur op haar wangen.
Vierdagen later kwam er via via een sms.
Dank voor de zorg.
Alles goed.
Donderdag kom ik weer.
Bel 15
