September in de Cévennen.
Mijn vijfde.
Ik dacht dat ik eraan gewend was.
Maar toch niet.
Want telkens vergeet ik weer hoe geweldig september hier is.
Zelfs met een snoeischaar in mijn hand, uren achter elkaar,
in die eeuwige tuinbroek.
Ik wied.
Ik hak.
Ik sleep.
Drie kruiwagens vol takken reed ik deze week naar het ravijn.
Een betere afvalbak is er niet.
Ja, het plezier van tuinieren is een avontuur.
Ik probeer wat.
En soms lukt dat.
Soms ook niet.
Maar in september hoe begint hoe dan ook de oogst.
En de druiven waren vroeg dit jaar.
Eind augustus al.
Te warm.
Te droog.
Iedereen in paniek.
Maar het werden blije trossen.
Geen rot.
Geen ziektes.
Ze glanzen alsof de zon ze zelf heeft opgepoetst.
Veel suiker.
Mooie zuren.
Goede balans.
Weinig verlies.
“C’est une très belle année,” zei de wijnboer volgens de Midi Libre.
In dezelfde krant stond dat de consument wat anders wil.
Geen zware wijn meer.
Licht moet het zijn.
Minder alcohol.
Bubbels.
Eigenlijk spa rood met een druif.
De wijnboer maakt wat de mensen drinken.
En ik drink weer wat hij maakt.
Op de markt in Saint-Ambroix is het feest.
Nauwelijks toeristen.
Vijgen die openbarsten van zoetigheid.
Appels en peren, allemaal tegelijk rijp.
Walnoten in zakken.
En voorzichtig de eerste kastanjes.
Pompoenen die je eigenlijk een kruiwagen mee naar huis moet rijden.
Het zonlicht glinstert zacht over het fruit en de bladeren.
De Cévennen in een bolster.
De maand van oogsten.
En van loslaten.
Ik zit er middenin.
Met een glas in de hand.
Licht natuurlijk.
Want ik ben zo’n consument.
Oogst
