Deze week het nieuws.
Een gemiddeld gezinshuis in Nederland kost een half miljoen euro.
Gewoon gemiddeld.
Vijf ton.
Niet groot.
Niet bijzonder.
Gewoon om te wonen.
Ooit was een half miljoen in mijn jeugd een villa.
Nu een rijtjeshuis.
Met drie slaapkamers.
En buren die je hoort denken.
Ik las het hier, in Frankrijk.
Op het platteland.
Waar vierkante meters nog iets tellen.
Ook buiten de Ring gaat het hard.
Neem Overijssel.
Toch nooit een hypegebied.
Toen Man en ik erheen trokken, keek iedereen alsof we iets moesten goedpraten.
Alsof Almelo een sollicitatiegesprek was.
Nu stijgen de prijzen daar rond de tien procent.
Niet omdat het mooier werd.
Maar omdat kopers elkaar voor de voeten lopen.
Omdat iedereen moet bieden.
Ook als het nergens over gaat.
In Frankrijk stijgen de prijzen ook.
Maar trager.
Rustiger.
In 2025 soms nauwelijks.
Het hangt van de plek af.
In de Cevennen laten ze zich niet opjagen.
Gemiddeld ligt het hier ver onder wat in Nederland instap heet.
Frankrijk is goedkoper.
Nou ja.
Tot je kijkt naar de huizen die buitenlanders kopen.
Vrijstaand.
Met grond.
In populaire streken.
Opvallend vaak Britten.
Belgen.
En Nederlanders.
Die daar verkochten.
En hier kopen wat daar verdwenen is.
Wie in Frankrijk koopt, rekent.
Wie ooit terug wil, rekent ook.
Zich arm of rijk.
En dan blijkt dat de markt soms vóór je kiest.
Foto bij de blog: een capitelle. Drooggestapeld steenwerk, geen muren, geen ramen. Volledig opgenomen in het landschap.
