Dr.Bernard

Hoe het is”?,
vraag ik,
als ie rond half twee thuiskomt voor zijn dagelijkse stokbrood.
“Weer alleen,” zegt hij.
Dat gebeurt steeds vaker.
Collega’s zijn er nog nauwelijks.
Na bijna vijf jaar kennen mensen Man wel.
De Nederlandse huisarts met zijn gele Toyota hybride.
Grijze kop.
Loopt een beetje voorover tegenwoordig.
Soms staat die auto half in de berm bij een huis met gesloten luiken.
Zo’n gehucht waar na zes uur niks meer beweegt.
De assistentes nemen de telefoon bijna niet meer op.
Niet omdat ze geen zin hebben.
Maar omdat er geen beginnen aan is.
Tegen de tijd dat één patiënt buiten staat, wachten er alweer drie.
Mensen rijden hier een uur voor een herhaalrecept.
Er zijn dorpen waar de dichtstbijzijnde huisarts tientallen kilometers verderop zit.
Dat is geen uitzondering meer.
Dat is hoe het nu is: minder toegankelijkheid, minder beschikbaarheid.
Gemiddeld vragen zo’n drie mensen per dag of Man nog nieuwe patiënten aanneemt.
Wil Molières-sur-Cèze hem graag.
Want er zou een maison de santé komen.
Dat klinkt groter dan het is.
Een pand met een arts.
Een kinesist.
Misschien een verpleegkundige.
Een pharmacie ernaast.
Een vooral een grote parkeerplaats.
In de Lozère is bijna de helft van de huisartsen ouder dan zestig.
In de Cévennen hetzelfde verhaal.
Praktijken zonder opvolger.
Huizen waar ooit een dokter zat.
En waar nu hortensia’s voor de deur staan.
Désert médical noemen ze dat.
Medische woestijn.
Gewoon in Frankrijk.
De wachtkamer zit ondertussen vol.
Soms zegt Man dat het “vandaag wel meeviel”.
Weet ik genoeg.
Dan valt het niet mee.
Maar heeft Man er voor die dag vrede mee gesloten.