Tabac

Maandagochtend Molières-sur-Cèze.
Ik haal de navette op.
De witte Peugeot van het sociaal centrum.
LE CENTRE op de ramen.
Voor één euro vijftig naar Saint-Ambroix.
Intermarché.
Lidl.
Carrefour.
Het wekelijkse uitje.
De navette staat voor de tabac.
Altijd voor de tabac.
Naast de bakker de laatste winkel van het dorp.
Sigaretten.
Krasloten.
Gasflessen.
Vergeelde affiches van loto-avonden achter het raam.
Boven de deur het rode tabac-bord.
Dat rood hoort bij Frankrijk.
Zelfs in dorpen waar bijna niets meer over is.
Iedere maandag hetzelfde.
Sigaretten halen.
Even praten.
Dan weer instappen.
Bijna iedereen rookt.
Gewoon openlijk.
Alsof het 1998 is.
In Nederland verdwijnen de sigaretten steeds verder uit beeld.
Hier staat de tabac gewoon midden in het dorp.
De deur open.
Mensen lopen in en uit zonder haast.
Ooit was dit een rijk mijndorp.
Nu wonen er vooral ouderen.
Mensen die tellen tot het einde van de maand.
Juist hier blijft de tabac belangrijk.
Niet alleen voor de sigaretten.
Maar als vast punt in de dag.
Een plek waar nog wordt gepraat.
In de grote steden verandert alles snel.
Hier niet.
Niet iedereen heeft haast om het oude leven op te ruimen.