L’arbre à pain.

In één keer stort alles naar beneden.
Gekleurde bladeren.
Temperaturen dalen.
En honderden kilo’s kastanjes.
L’arbre à pain heten ze hier.
Broodbomen, omdat mensen er vroeger van leefden.
Je kon er namelijk van alles van maken, van die kastanjes.
Pap.
Meel.
Koek.
Overleven in bolvorm, zeg maar.
Maar mij lukt dat niet.
Ik vind ze mooier dan lekker.
Dus voor mij geen crème de marron.
Geen kastanjeconfituur.
En al helemaal geen kastanjecake.
Zelfs als het in Amsterdam superfood wordt genoemd, eet ik geen aarde.
Maar toch raap ik ze wel op.
Al wandelend.
De oneetbare, dat spreekt voor zich.
Paardenkastanje.
Bol, glad, charmant, glimmend als gelakt hout.
Koel en zwaar in mijn hand.
Vol magie, zeiden mijn wandelmaatjes woensdag.
De kastanje is een belangrijk onderdeel van de collectieve verbeelding van de Cevennen.
Een krachtig symbool van de streek.
Vroeger plantte men de kastanjeboom altijd naast de boerderij, zeiden ze.
Voor de heks.
Dan had zij een huisje.
En liet ze de bewoners tenminste met rust.
De heks verscheen trouwens vaak als uil.
Hoorde je oehoe vanuit de paardenkastanje, dan wist je genoeg.
Niet schrikken.
Dat is gewoon de vaste bewoonster.
Ik buk nog een keer.
Laat de glimmende kastanjes door mijn vingers glijden.
Een moment van herfstbezwering.
Mijn persoonlijke afweer tegen de ellende des levens.
Dat kan nooit kwaad.