Na tien dagen Nederland reden we terug Frankrijk in. De Cévennes lagen erbij alsof we nooit waren weggeweest. Thuis stond alles nog. Twee katten. Allebei levend. De buurvrouw had opgepast. Ze woont aan dezelfde weg. Les Brousses. Hier geboren. En gebleven. Tot voor kort met haar moeder boven haar. Niet omdat het zo uitkwam maar omdat het moest. Adele begon te dementeren. Vijftig meter verderop weliswaar, maar mijn buurvrouw haalde haar toch op. Adele kwam uit Italië. Op haar zesde, als wees afgezet bij grootouders in Saint-Florent-sur-Auzonnet. Ze trouwde een mijnwerker. Die vroeg stierf . Zoals veel mannen hier. Twee kinderen kreeg ze. Eén daarvan is mijn buurvrouw. De laatste twee jaar zat Adele ’s ochtends op het balkon. Met koffie. Na de thuiszorg. Ik zwaaide altijd. Zij ook. Soms. De laatste keer dat ik terugkwam uit Nederland, zaten mijn buurvrouwen voor haar huis. Stoelen in de zon. Ik liep met een cadeautje en wist het meteen. Adele was aan het hemelen. En dan begint het hier. Want wie in het weekend sterft, moet wachten. Op een arts. Mijn buurvrouw vroeg of Man misschien kon helpen. Met hét formulier dat alles officieel maakt. Tuurlijk. Vier dagen later was de begrafenis. De dag erna waren de bloemen weg. Gestolen. Mijn buurvrouw huilde. Om Adele. Om alles wat niet meer vanzelf gaat. Maar nu, nu is het zomer, is het zondagavond. Worden stoelen overal vandaan gehaald. Schuift het hele gehucht aan. De buurvrouw moppert weer op haar Man. Katten lopen tussen de stoelen door. Man zit bij de mannen. Ik bij de vrouwen. Er wordt gegeten. Geschonken. Gemorst. Witte wijn. Rosé. Mosselen. Een hond wacht tot er iets valt. En dan gebeurt het. Een gevoel van erbij horen overvalt me. Les Brousses. Mijn gehucht. Onze weg. En het leven dat doorgaat tussen verdriet en mosselen.