In één keer stort alles naar beneden.
Gekleurde bladeren.
Temperaturen dalen.
En honderden kilo’s kastanjes.
L’arbre à pain heten ze hier.
Broodbomen, omdat mensen er vroeger van leefden.
Je kon er namelijk van alles van maken, van die kastanjes.
Pap.
Meel.
Koek.
Overleven in bolvorm, zeg maar.
Maar mij lukt dat niet.
Ik vind ze mooier dan lekker.
Dus voor mij geen crème de marron.
Geen kastanjeconfituur.
En al helemaal geen kastanjecake.
Zelfs als het in Amsterdam superfood wordt genoemd, eet ik geen aarde.
Maar toch raap ik ze wel op.
Al wandelend.
De oneetbare, dat spreekt voor zich.
Paardenkastanje.
Bol, glad, charmant, glimmend als gelakt hout.
Koel en zwaar in mijn hand.
Vol magie, zeiden mijn wandelmaatjes woensdag.
De kastanje is een belangrijk onderdeel van de collectieve verbeelding van de Cevennen.
Een krachtig symbool van de streek.
Vroeger plantte men de kastanjeboom altijd naast de boerderij, zeiden ze.
Voor de heks.
Dan had zij een huisje.
En liet ze de bewoners tenminste met rust.
De heks verscheen trouwens vaak als uil.
Hoorde je oehoe vanuit de paardenkastanje, dan wist je genoeg.
Niet schrikken.
Dat is gewoon de vaste bewoonster.
Ik buk nog een keer.
Laat de glimmende kastanjes door mijn vingers glijden.
Een moment van herfstbezwering.
Mijn persoonlijke afweer tegen de ellende des levens.
Dat kan nooit kwaad.
Auteur: Claire Blue
-

L’arbre à pain.
-

Kleine Franse taferelen
Elke week hetzelfde tafereel op de markt van Saint Ambroix.
Appels. Kazen. Luid roepende kippenboeren.
En de zeepkraam.
Een tafel vol blokken.
Lavendelpaars. Olijfgroen. Citroengeel. Rozenroze.
Netjes gestapeld.
In Nederland zie je dit niet.
Daar pomp je “zeep” of “oceaanbries” uit plastic.
Alsof iemand ooit de oceaan heeft uitgewrongen.
Oké, bij Lush liggen wat stukjes.
Cosmetisch.
Verder niks.
Fransen doen dat anders.
Hier zijn het Blokken.
Groot genoeg om mee te wassen.
Een blok dat lijkt op een kaasje.
Je zou er zo een plak vanaf snijden.
En achter dat blok schuilt een hele geschiedenis.
In de veertiende eeuw maakten ze namelijk in Marseille al zeep.
Eenvoudig recept: Olijfolie. Zeezout. As.
Eeuwen later bemoeide Lodewijk XIV zich ermee.
Hij bepaalde dat alleen olijfolie mocht worden gebruikt.
En alleen in grote koperen ketels.
Een koninklijk edict.
Bureaucratie met schuim.
Eeuwenlang wereldzeep.
Tot dus die pompflacon kwam.
Schuim uit plastic.
Hygiënisch, beweerde men.
De blokken verdwenen.
Bijna.
Maar ze zijn terug.
Plastic passé, nostalgie in.
Een blok laat immers geen dopje achter dat in een meeuw belandt.
Milieubewust, zonder dat iemand het doorheeft.
En dus staat die kraam er nog steeds.
Geurend tot drie kramen verder.
Soms koop ik er een.
Geschiedenis in mijn hand.
Mijn kleine klimaatbijdrage.
Al kies ik gewoon op kleur.
Hygiënischer is dat pompje trouwens ook niet.
Bacteriën verdwijnen namelijk gewoon met schuim.
Schoon is schoon.
Zonder oceaanbries.
Zonder bonusflacon. -

Raad & Daad en Chat.
Iedereen die naar Frankrijk verhuist kent hem.
De Facebookpagina Raad & Daad Frankrijk.
Ooit had ik mezelf voorgenomen om nooit meer op Facebook te gaan.
Maar ja.
Verhuis naar Frankrijk en je staat er weer op hé.
Want alles komt voorbij.
Een septic tank die stinkt.
Een recht van overpad dat je pas na aankoop ontdekt.
Een buurman die met een kettingzaag je heg corrigeert.
En er is altijd wel iemand die het ook heeft meegemaakt.
Of denkt dat hij het heeft gehad.
En dat helpt dan.
Nou ja een beetje.
De groep telt meer dan 22.000 leden.
En de vragen zijn altijd herkenbaar.
“Hoe verwarm ik mijn huis in de winter?”
“Mag ik met een Nederlandse auto zonder APK rijden?”
“Moet je walnoten eerst wassen voor je ze te drogen legt ?”
“Wie weet een huisarts die Nederlands spreekt in de buurt van Parijs?”
Of nog belangrijker.
“Wie weet waar je frikandellen kunt kopen?”
Blijkbaar bestaat er een app.
Frikandel speciaal in het buitenland.
Kijk dat zijn de betere Raad & Daad-vragen.
En de betere antwoorden.
En net toen ik dacht dat ik alles wat ik niet wist kon vinden.
Was ik met Jongste in Parijs.
Zei ze: “Mam, ik heb iets nieuws voor je. Een soort TomTom voor je dagelijkse leven.”
Dat bleek ChatGPT.
Ik-meteen-verslaafd.
Want hoe makkelijk.
Hé Chat, welke metrolijn moet ik nemen?
Of wanneer plant ik aardbeien?
En mag ik als niet-patiënt een klacht indienen tegen een Franse huisarts ?
Chat weet het allemaal.
En toch.
Toch gaat er niets boven ervaringen uit het echter Leven.
Zoals dat het vier dagen duurt voor een betaling via internet rond is.
En dat wassen van de walnoot voorkomt dat de groene bittere schil in het hout trekt.
Goud waard.
En natuurlijk kwam op Raad & Daad ook die vraag.
Of ik dan nog wel nadenk wanneer ik Chat gebruik.
Tuurlijk.
Want alles begint immers met een vraag.
De uitvoering doet Chat nooit.
Die blijft zitten waar hij zit.
Onverstoorbaar.
En antwoordt op bijna alles.
Behalve natuurlijk de vraag waar ik een frikandel speciaal kan scoren.
-

Oogst
September in de Cévennen.
Mijn vijfde.
Ik dacht dat ik eraan gewend was.
Maar toch niet.
Want telkens vergeet ik weer hoe geweldig september hier is.
Zelfs met een snoeischaar in mijn hand, uren achter elkaar,
in die eeuwige tuinbroek.
Ik wied.
Ik hak.
Ik sleep.
Drie kruiwagens vol takken reed ik deze week naar het ravijn.
Een betere afvalbak is er niet.
Ja, het plezier van tuinieren is een avontuur.
Ik probeer wat.
En soms lukt dat.
Soms ook niet.
Maar in september hoe begint hoe dan ook de oogst.
En de druiven waren vroeg dit jaar.
Eind augustus al.
Te warm.
Te droog.
Iedereen in paniek.
Maar het werden blije trossen.
Geen rot.
Geen ziektes.
Ze glanzen alsof de zon ze zelf heeft opgepoetst.
Veel suiker.
Mooie zuren.
Goede balans.
Weinig verlies.
“C’est une très belle année,” zei de wijnboer volgens de Midi Libre.
In dezelfde krant stond dat de consument wat anders wil.
Geen zware wijn meer.
Licht moet het zijn.
Minder alcohol.
Bubbels.
Eigenlijk spa rood met een druif.
De wijnboer maakt wat de mensen drinken.
En ik drink weer wat hij maakt.
Op de markt in Saint-Ambroix is het feest.
Nauwelijks toeristen.
Vijgen die openbarsten van zoetigheid.
Appels en peren, allemaal tegelijk rijp.
Walnoten in zakken.
En voorzichtig de eerste kastanjes.
Pompoenen die je eigenlijk een kruiwagen mee naar huis moet rijden.
Het zonlicht glinstert zacht over het fruit en de bladeren.
De Cévennen in een bolster.
De maand van oogsten.
En van loslaten.
Ik zit er middenin.
Met een glas in de hand.
Licht natuurlijk.
Want ik ben zo’n consument. -

On ne naît pas femme, on devient
Vandaag begon ik weer bij Croix-Rouge.
De augustusmaand is voorbij.
Dolly stond al op mij te wachten.
Mijn mannequin.
Haar trouwjurk maatje 34 mocht wel uit.
Het huwelijk had geen stand gehouden.
Zei ik tegen klanten.
Nu staat ze er in hip pak.
Geen bruid meer.
Gewoon vrouw.
Mijn nieuwe leidinggevende keek en zei: mieux.
Zelf had ze nooit trouwjurk gedragen.
Ze had haar moeder gezien met veertien kinderen.
Altijd de ander.
Dat leek haar geen leven.
Dus ging ze werken.
Geld verdienen.
Twee kinderen voedde ze alleen op.
Nu rijdt ze op motor door Cevennen.
Na pensioen kocht ze er een huis.
Niet afhankelijk.
Geen bijrol.
Precies zoals Simone de Beauvoir het bedoelde.
Vrouwen die hun eigen weg gaan.
Zoals Beauvoir zei: ” On ne naît pas femme, on devient”
In Nederland maken Dolle Mina’s ondertussen weer lawaai.
Ze zijn terug.
Zichtbaar.
Theater op de barricade.
Frankrijk doet anders.
Hier is feminisme geen show.
Maar een gewoonte.
Vrouwen op straat.
Vrouwen op werkvloer.
Zeventig procent werkt fulltime*.
Twintig tot dertig procent kinderen onder de drie alle dagen naar de crèche*
Dat maakt leven mogelijk.
En onafhankelijkheid.
Zelfs op straat.
Fluitje of zogenaamd compliment levert hier al jaren boete op.
In Nederland pas sinds kort.
Alsof sisgeluiden ineens nieuw waren.
Ik vroeg collega of Frankrijk nog feminisme nodig heeft.
Je zou bijna denken van niet.
Want als eerste land hebben ze vrijwillige zwangerschapsafbreking in grondwet gezet.
Voorbeeld voor rest van wereld.
Maar zei ze.
Mijn generatie heeft feminisme nog steeds nodig.
Zolang mannen denken dat een rok een uitnodiging is.
Zolang vrouwen eerst als verschijning worden gezien.
En pas daarna als mens.
De stem van de Franse vrouw blijft luid en duidelijk.
Dolly kreeg korte rok aan.- 27% van de Nederlandse vrouwen werkt fulltime.
- “je wordt niet als vrouw geboren, je wordt het. “
- 9,2% van de Nederlandse kinderen gaat vijf dagen pw naar de creche
-

Mijn gehucht
Na tien dagen Nederland reden we terug Frankrijk in.
De Cévennes lagen erbij alsof we nooit waren weggeweest.
Thuis stond alles nog.
Twee katten. Allebei levend.
De buurvrouw had opgepast.
Ze woont aan dezelfde weg.
Les Brousses.
Hier geboren. En gebleven.
Tot voor kort met haar moeder boven haar.
Niet omdat het zo uitkwam maar omdat het moest.
Adele begon te dementeren.
Vijftig meter verderop weliswaar, maar mijn buurvrouw haalde haar toch op.
Adele kwam uit Italië.
Op haar zesde, als wees afgezet bij grootouders in Saint-Florent-sur-Auzonnet.
Ze trouwde een mijnwerker.
Die vroeg stierf . Zoals veel mannen hier.
Twee kinderen kreeg ze.
Eén daarvan is mijn buurvrouw.
De laatste twee jaar zat Adele ’s ochtends op het balkon.
Met koffie. Na de thuiszorg.
Ik zwaaide altijd.
Zij ook. Soms.
De laatste keer dat ik terugkwam uit Nederland, zaten mijn buurvrouwen voor haar huis.
Stoelen in de zon.
Ik liep met een cadeautje en wist het meteen.
Adele was aan het hemelen.
En dan begint het hier.
Want wie in het weekend sterft, moet wachten.
Op een arts.
Mijn buurvrouw vroeg of Man misschien kon helpen.
Met hét formulier dat alles officieel maakt. Tuurlijk.
Vier dagen later was de begrafenis.
De dag erna waren de bloemen weg.
Gestolen.
Mijn buurvrouw huilde.
Om Adele.
Om alles wat niet meer vanzelf gaat.
Maar nu, nu is het zomer, is het zondagavond.
Worden stoelen overal vandaan gehaald.
Schuift het hele gehucht aan.
De buurvrouw moppert weer op haar Man.
Katten lopen tussen de stoelen door.
Man zit bij de mannen. Ik bij de vrouwen.
Er wordt gegeten. Geschonken. Gemorst.
Witte wijn.
Rosé.
Mosselen.
Een hond wacht tot er iets valt.
En dan gebeurt het.
Een gevoel van erbij horen overvalt me.
Les Brousses.
Mijn gehucht.
Onze weg.
En het leven dat doorgaat tussen verdriet en mosselen. -

Vakantie gevoel
Daar stond ik.
Met vakantiegevoel.
In Arnhem.
Te wachten.
Drukte.
Warmte.
Voor me twee twintigers.
“laten we eerst naar de Zara gaan hebben we dat gehad“
Misschien ze zochten de powerschouder van dit najaar.
Of de ruitblouse die vorig seizoen ook al niet stond.
Alles voor de illusie van nieuw.
Achter me een man.
Hij praatte hardop.
Met oortjes in.
In de Cevennen doen ze dat niet.
Daar heet dat psychose.
In mijn vorig leven was vakantie anders.
Was het Opladen.
In een badpak dat nog jaren mee kon.
Boeken lezen.
Geen mail.
In de rij bij een winkel vol kleren.
Toerist in de drukte.
En terugkomen met een plan voor thuis.
Nu niet meer.
Nooit gedacht dat juli en augustus,
in Frankrijk mijn slechtste maanden zouden zijn.
En Nederland juist vakantieland.
Ons oude huis als vakantiehuis.
Zonder zwembad.
Zonder ligstoel.
Zonder roman die ik toch niet uitlees.
Met stapels zooi.
En Hollandse prijzen die niemand schijnt te zien.
Hier ontkoken Man en ik.
Leven we van kant-en-klaar.
Voorgesneden gemak verpakt in plastic,
voor wie geen tijd heeft om te leven.
Alles smaakt hetzelfde.
Lijstjes overal.
Paspoorten.
APK.
Tandarts woensdag.
Nederland als project.
Maar ook vriendinnen.
Veel.
Twee levens.
Twee huizen.
Overal een beetje thuis.
Of nergens.
Loslaten wat niet past.
Niet treuzelen.
Niet terugkijken.
Honkvast ben ik niet.
Gelukkig maar.
-

Verkering
We vertrokken.
Man en ik.
Op de warmste woensdag ooit, hadden ze gezegd.
Wist ik allang.
Man herhaalde dat namelijk de hele week om de tien minuten.
“Wij gaan op 13 augustus naar Nederland hè.”
“In een auto zonder airco.”
Waarom?
Nou…..
Mijn Toyota Yaris moest naar de APK.
Inderdaad in Nederland.
Want hij staat nog op Nederlandse platen.
Ja, weet ik ook wel, dat kan anders.
Maar ja, soms lopen dingen nou eenmaal zoals ze lopen.
Als iemand dat weet ben ik het wel.
Wat absoluut ook anders had gekund: de airco eens laten maken.
Die gaf er drie maanden na aankoop al de brui aan.
Maar toen was het winter hé.
En ja, ok daarna zomer.
Maar ach… raampje open naar Saint-Ambroix.
Dat overleef ik wel.
Ik dacht: canicule, dat zien we dan wel weer.
Proberen deed ik heus.
Bij mijn garage.
“CLIME? Nee madame, daarvoor moet u naar Alès.”
En dat komt er dan niet van.
Geen zin in.
Half vijf vertrokken we.
Zonder proviandtas.
Die bleef in Les Brousses.
Waarschijnlijk nog steeds op de keukentafel.
God zij dank was de bakker in Pont-Esprit om half zes open.
Kocht ik naast croissants ook toch maar wat cola.
Wetende dat die in de auto heet zou worden.
Typisch Man en ik.
Zonder koeltas.
Zonder plan.
Maar altijd vertrouwend dat het wel goed komt.
Om acht uur door Lyon.
Eerste koffiestop: terug in de bewoonde wereld.
Kots op de grond.
Slapende gesluierde vrouwen met kinderen in een auto.
Hondepoep.
Starbucks-koffie in een kartonnen beker.
Bij Beaune tikt de thermometer de dertig aan.
Alsof het universum dacht: ha, je dacht toch niet dat het hier ophield.
Aan mijn kant gaan de ramen open.
Het gebrom van de snelweg overstemt alles.
Mijn haren plakken aan mijn slapen.
Overal passerende Nederlandse auto’s.
Fietsen achterop.
Caravans.
Mountainbikes.
Eigen kussens en dekbedden.
En precies op deze dag hebben Man en ik 45 jaar verkering,
app ik aan De Meisjes vanuit de auto.
Hoe dan?, appt Jongste terug.
“Hoe kan het nou dat de ergernissen nog steeds niet de overhand hebben genomen.” Hier gebeurt dat bij mij met huisgenoten na vier jaar.
Tja.
Leuk om als uitdaging op de heetste dag in een auto zonder airco te rijden, reageert Oudste.
Om meteen daaraan toe te voegen: ik geloof dat dit alleen kan als je 45 jaar verkering hebt. -

Malbosc
De zon staat hoog.
Ik zit op een terras met uitzicht.
Net terug van een concert in het kerkje van Malbosc.
Twee cello’s.
Iedere zomer organiseert Les Amis de la Pauze daar concerten.
Malbosc is een gehucht dat zich vastklampt aan een heuvel, met stenen huizen en ruige natuur.
Er woont bijna niemand, maar het leeft.
Het restaurant is klein.
De eigenaresse is een Oekraïense vrouw, sinds twee jaar hier.
Haar man in de keuken.
Hun zoon van elf, die vandaag de bestellingen opneemt.
Geconcentreerd, een beetje verlegen.
Kinderarbeid?
Misschien.
Maar vandaag móet hij wel.
Het is druk.
Ik bestel een limonade met gember.
Dan wacht ik.
Lichte Nederlandse ongeduldigheid maakt zich altijd weer van mij meester.
Die calvinistische zenuw in de onderbuik, die zelfs bij 34 graden fluistert: schiet eens op.
Maar in Frankrijk is wachten op de lunch geen ongemak.
Langzaam laat ik de ochtend los en maak ruimte voor wat komt.
Rustig, zonder haast, alsof ik nergens heen hoef.
Wat ook zo is.
Er komt een velouté, iets met bieten, boeuf Aubrac, tarte du moment…
Alles vers. Alles langzaam.
Niets gehaast.
De andere tafels zijn bezet.
Mensen praten.
Bijna niemand kijkt op zijn telefoon.
Laat staan op de klok.
Tijd is hier een vriend.
Misschien komt het door Dochters dat ik zo aan Nederland denk.
Aan de lunchpauzes van een kwartier.
Aan wandelen met collega’s, stappen tellen tot het horloge piept.
Aan de stem die ooit zei:
‘Wat heb je eigenlijk vandaag gedaan?’
Alsof genieten pas mag als alles af is.
Alsof rusten een beloning is.
Alsof vrije tijd iets is wat je moet verdienen.
In mijn Nederlandse hoofd klonk:
Wie met werken tien euro per dag kan verdienen, maar een halve dag werkt en de rest uit wandelen gaat…
Die smijt vijf euro over de balk.
Maar zo denkt de Fransman niet.
Die willen met pensioen als ze nog kunnen lopen, eten, ruiken.
Komen in opstand als ze tot hun 64e moeten doorwerken.
Die snijden het leven in dunne plakjes.
Proeven alles.
Frankrijk kent geen Calvinisme.
Hoewel Calvijn hier geboren werd, lijkt dit land ongeschikt voor zijn leer.
De geboden passen niet bij de mistral.
Fransen onderwerpen zich slecht aan soberheid.
Ze geloven in het goede leven, niet in boetedoening.
Hier draait het om genieten —wel kalm en verstandig.
Ik neem een voorbeeld aan mijn buren.
Die zoeken geen groots leven, maar gewoon geluk.
Eenvoudig genot.
Ondertussen zakt de zon een beetje.
De Oekraïense zoon van elf haalt de borden op.
Eentje per keer — nog te jong om er meer te dragen.
Misschien draagt hij al genoeg. -

Wij hier, zij daar
Emigreren klinkt als een avontuur.
Mensen zeggen dingen als: wat een lef.
Of: wat een uitzicht.
Of, de klassieker: wat een rust.
Zuid-Frankrijk, lavendel, olijfboom.
Instagramwaardig, zeggen we dan.
Maar dat is de buitenkant.
Van binnen: Dochters die niet om de hoek wonen.
Oudste op Saba.
Jongste in Amsterdam.
Ze hebben hun leven.
Wij het onze.
Samenleven is iets anders.
Afstemmen is een project.
Tijdzones, vluchten, agenda’s, overstappen, koffers.
En als alles dan klopt — dan is het zomer.
Zijn ze er.
Lang.
Dat is het voordeel van afstand: je ziet elkaar met reden.
Geen haastige koffie, maar dagen.
Langzaam.
Koken.
Eten.
Zitten.
Luisteren.
Lachen.
En nu is het zover, zijn ze er.
In de Cévennen.
Net zoals vroeger.
Toen ze nog met z’n drieën op de achterbank pasten.
Met de derde fille erbij.
Officieel vriendin.
Maar zij hoort bij ons.
Vroeger: zwembad, boeken, verbrande schouders, slippers kwijt.
Kokhalzen van een vissenkop.
Nu zijn het vrouwen.
Met banen.
Agenda’s.
Discussies bij het aanrecht.
Deze week glijden we terug:
zwembad, boek, en wereldproblemen bij een glas wijn.
Koken zij de forel en aardappelgratin.
Man en ik hoeven alleen maar bij te schenken.
En ik weet het…
Ze gaan weer.
Dit is namelijk emigreren.
Weten dat mensen komen.
En weer gaan.
Opnieuw zal ik maandag roepen:
Bye bye. Love you.
En opnieuw zal het steken.