• Tabac

    Tabac

    Maandagochtend Molières-sur-Cèze.
    Ik haal de navette op.
    De witte Peugeot van het sociaal centrum.
    LE CENTRE op de ramen.
    Voor één euro vijftig naar Saint-Ambroix.
    Intermarché.
    Lidl.
    Carrefour.
    Het wekelijkse uitje.
    De navette staat voor de tabac.
    Altijd voor de tabac.
    Naast de bakker de laatste winkel van het dorp.
    Sigaretten.
    Krasloten.
    Gasflessen.
    Vergeelde affiches van loto-avonden achter het raam.
    Boven de deur het rode tabac-bord.
    Dat rood hoort bij Frankrijk.
    Zelfs in dorpen waar bijna niets meer over is.
    Iedere maandag hetzelfde.
    Sigaretten halen.
    Even praten.
    Dan weer instappen.
    Bijna iedereen rookt.
    Gewoon openlijk.
    Alsof het 1998 is.
    In Nederland verdwijnen de sigaretten steeds verder uit beeld.
    Hier staat de tabac gewoon midden in het dorp.
    De deur open.
    Mensen lopen in en uit zonder haast.
    Ooit was dit een rijk mijndorp.
    Nu wonen er vooral ouderen.
    Mensen die tellen tot het einde van de maand.
    Juist hier blijft de tabac belangrijk.
    Niet alleen voor de sigaretten.
    Maar als vast punt in de dag.
    Een plek waar nog wordt gepraat.
    In de grote steden verandert alles snel.
    Hier niet.
    Niet iedereen heeft haast om het oude leven op te ruimen.

  • Dr.Bernard

    Dr.Bernard

    Hoe het is”?,
    vraag ik,
    als ie rond half twee thuiskomt voor zijn dagelijkse stokbrood.
    “Weer alleen,” zegt hij.
    Dat gebeurt steeds vaker.
    Collega’s zijn er nog nauwelijks.
    Na bijna vijf jaar kennen mensen Man wel.
    De Nederlandse huisarts met zijn gele Toyota hybride.
    Grijze kop.
    Loopt een beetje voorover tegenwoordig.
    Soms staat die auto half in de berm bij een huis met gesloten luiken.
    Zo’n gehucht waar na zes uur niks meer beweegt.
    De assistentes nemen de telefoon bijna niet meer op.
    Niet omdat ze geen zin hebben.
    Maar omdat er geen beginnen aan is.
    Tegen de tijd dat één patiënt buiten staat, wachten er alweer drie.
    Mensen rijden hier een uur voor een herhaalrecept.
    Er zijn dorpen waar de dichtstbijzijnde huisarts tientallen kilometers verderop zit.
    Dat is geen uitzondering meer.
    Dat is hoe het nu is: minder toegankelijkheid, minder beschikbaarheid.
    Gemiddeld vragen zo’n drie mensen per dag of Man nog nieuwe patiënten aanneemt.
    Wil Molières-sur-Cèze hem graag.
    Want er zou een maison de santé komen.
    Dat klinkt groter dan het is.
    Een pand met een arts.
    Een kinesist.
    Misschien een verpleegkundige.
    Een pharmacie ernaast.
    Een vooral een grote parkeerplaats.
    In de Lozère is bijna de helft van de huisartsen ouder dan zestig.
    In de Cévennen hetzelfde verhaal.
    Praktijken zonder opvolger.
    Huizen waar ooit een dokter zat.
    En waar nu hortensia’s voor de deur staan.
    Désert médical noemen ze dat.
    Medische woestijn.
    Gewoon in Frankrijk.
    De wachtkamer zit ondertussen vol.
    Soms zegt Man dat het “vandaag wel meeviel”.
    Weet ik genoeg.
    Dan valt het niet mee.
    Maar heeft Man er voor die dag vrede mee gesloten.

  • Gewoon gestolen

    Gewoon gestolen

    Soms maak je dingen mee.
    Van die momenten dat je denkt: serieus.
    Gebeurt dit nou echt.
    Deze week dus.
    Kringloopwinkels zijn hip.
    Eén TikTok-filmpje en half Frankrijk duikt ineens in de bakken.
    Onze winkel van Croix-Rouge ook.
    Schatkamer.
    Voor wie weinig heeft.
    En voor wie wil verdienen.
    Dus op de markt van Saint-Ambroix zie ik ze hangen.
    Onze spullen.
    Drie keer zo duur.
    Weinig aan te doen.
    En ja.
    Er hangt ook veel rommel.
    Dus misschien denk je: ach.
    Als er iets verdwijnt.
    Wie merkt dat.
    Nou.
    Wij dus.
    Deze keer: een zomerjas van Desigual.
    Vijf euro.
    Naast de kassa.
    Een uur later.
    “Verkocht?”
    “Eh… non.”
    Weg.
    Was.
    Ie.
    Gewoon gestolen.
    Zonder twijfel.
    Zonder betalen.
    Zaterdag speurden we op de markt.
    Kringloopdetectives.
    Niets gevonden.
    En toen was het dinsdag.
    Inbraak.
    Kluis gekraakt.
    Duizend euro weg.
    Hoe wanhopig moet je zijn.
    Om dit bij Croix-Rouge te doen.
    De plek waar mensen juist komen halen wat ze nodig hebben.
    Met stomheid geslagen waren we.
    En nu is het dus anders.
    Tassen mogen niet meer mee naar binnen.
    Alles laten zien en alles controleren.
    Want:
    “Car les gens qui volent n’ont pas de vie privée.”
    “C’est le risque du métier.

    *Mensen die stelen hebben geen privéleven.
    *Dat is het risico van het vak.

  • Asperges en aardbeien

    Asperges en aardbeien

    Opeens zomer.
    26 april,
    en achtentwintig graden.
    Zwembaden open, al ligt er geen Fransman of Belg in.
    Water onaangeroerd.
    Alleen Nederlanders doen alsof kou iets is wat je kunt trainen.
    Ik ben daar inmiddels één van.
    De nachten geven zich nog niet helemaal gewonnen.
    Maar in de Cevennen schuift het van bloesem naar blad.
    Het landschap schakelt door.
    Tijm en rozemarijn worden wakker.
    Asperges en aardbeien liggen naast elkaar op de markt alsof dat logisch is.
    Hét overlappende moment tussen winter- en zomerteelt.
    Hier wel.
    In mijn vorige leven gedijde ik op plekken waar vooral mensen samenkwamen.
    Veel mensen.
    Daar liepen geen wijnranken uit.
    Af en toe een klaproos.
    De natuur was bijzaak.
    Een plek om naartoe te gaan.
    Niet om in te leven.
    Vijf jaar geleden veranderde dat.
    Man en ik namen een radicale beslissing.
    En de stad liet zich makkelijker los dan gedacht.
    Nu valt de zonsondergang op mijn slaapkamerraam.
    Alles buiten het platteland voelt als een stap terug.
    Je moet ertegen kunnen dat hier weinig gebeurt.
    Nou ja.
    Er gebeurt wel van alles.
    Maar dan in de natuur.
    Aardbei naast asperge.
    Zo ligt het hier.

  • Lekker genieten.

    Lekker genieten.

    Ruim vier weken was ik in Nederland.
    Niet voor mezelf.
    Maar als mobiele reservebank voor Oudste en kleinzoon.
    Rugdekking heet dat officieel.
    Al voelde het op dagen dat Oudste werkte als permanent stand-by staan.
    Oké, we aten ook veel toostjes.
    En ik dronk rosé.
    Kleinzoon moedermelk.
    Prima verdeling.
    Maar ik had heimwee.
    Gewoon dat zeurende gevoel dat je ergens anders hoort te zijn terwijl je precies staat waar je hoort.
    En ondertussen zei iedereen het.
    “Lekker genieten.”
    Altijd.
    Over alles.
    Bij de bakker.
    In de miezerregen.
    Zelfs bij de HEMA.
    Alsof het een wachtwoord was.
    Zeg het en alles klopt.
    Maar ik vind lekker genieten ingewikkeld.
    Ja, ik geniet van een dame blanche.
    Of van een hoofdmassage.
    Van een glas rosé.
    Spreekt voor zich.
    Maar bij kleinzoon werkt het anders.
    Daar zit geen “lekker” in.
    Ik kon gewoon naar ’m kijken.
    Naar zo’n slapend gezichtje dat nergens last van heeft.
    Of ineens weer wel.
    Ik was er gewoon.
    Met alles.
    Ook met de draagzak.
    Zo’n constructie van banden en gespen waar je stil van wordt.
    Waar is de voorkant.
    Waarom hangt hij scheef.
    Waar zijn zijn benen gebleven.
    Bij Oudste zag het eruit alsof het vanzelf ging.
    Alsof het kind er gewoon in hoorde.
    Je snapt het pas als je het doorhebt.
    Ik had het dus niet door.
    Uiteindelijk heb ik hem in de wandelwagen gelegd.
    Generatie dingetje.
    Wielen.
    Dat snap ik.
    Daar deden we het allebei goed op.
    Hij en ik.
    Enfin.
    Na ruim drie weken terug naar Frankrijk.
    Dertig graden.
    Alsof iemand de zon had aangezet.
    Binnen een dag weer gewend.
    Dát is pas lekker genieten.
    Zonder dat iemand het zegt.
    Ik maaide het gras.
    Mijn katten namen me zonder pardon weer op in hun schema.
    En bij het Croix Rouge was het eerste wat ik deed: de mannequins omkleden.
    Allemachtig, vier weken dezelfde outfit.
    Dan ben je geen etalage meer, maar een soort déjà vu.
    Doe ik niet aan.
    Kortom, ik ben er weer.
    En dat kleine mannetje,
    dat zit in mijn hoofd en in mijn hart.
    En deze zomer hier.

  • Congé

    Congé

    Het is in de koffiekamer van Croix, als ik zeg dat ik er vanaf 13 maart even niet ben.
    “Vacances. Les Pays-Bas.”
    De werkelijkheid is dat ik rugdekking geef aan Moeder& Zoon.
    Oudste begint weer met werken.
    Ik plan de trein vanaf Nîmes.
    Deze keer ruisen de rails onder me.
    Collega’s kijken verbaasd.
    “Mais Clara, ça, ce n’est pas des vacances.”
    “Ça, c’est congé.
    ”
    Ter plekke leer ik Frans.
    Tuurlijk is dit geen vakantie.
    Des vacances is hangmat, boek, de wereld laten bestaan zonder jou.
    Congé is anders.
    Congé is officieel verlof.
    Tijd die je opneemt omdat iemand je nodig heeft.
    Omdat er een leven moet worden opgevangen.
    Mijn collega’s weten wel hoe dat werkt.
    Want in Frankrijk groeit bijna een kwart van de kinderen op bij één ouder.
    In Nederland zestien procent.
    Het verschil zie je niet alleen in statistieken.
    Je ziet het in wie er paraat staan.
    In Nederland vaak grootouders.
    Structureel.
    Omdat opvang duur is.
    En omdat er wachtlijsten zijn.
    In Frankrijk ook.
    Maar vooral af en toe.
    Tweedehands opvang.
    Niet de basis.
    De basis is in Frankrijk de crèche.
    De école maternelle.
    De staat.
    Deze week viel bij alle 29-jarigen een brief van de overheid op de mat.
    “Denk aan kinderen. Voor het te laat is.”
    Alsof een land zijn toekomst via de brievenbus kan regelen.
    De Franse staat regelt.
    De Nederlandse familie idem.
    En ergens daartussen loopt die moeder.
    Met haar volle agenda.
    Met haar verantwoordelijkheden.
    Met haar stille rekensommen.
    Of het nu in Frankrijk op school is of in Nederland.
    Het blijft jongleren.
    Met volle handen.

    NB: komende maand verschijnt er geen blog. Begin april ben ik weer terug van congé.

  • Bel 15

    Bel 15

    Croix-Rouge, afgelopen donderdag.
    Even stond ik buiten.
    Net toen liep er een vrouw voorbij.
    Jaar of zeventig.
    Kordaat.
    Rechte rug.
    Stevige pas.
    Blik vooruit.
    Alsof de wereld haar niet kon afleiden.
    Helaas vergat ze de regenpijp.
    Tok.
    Doffe klap.
    Geen goed geluid.
    Ze greep naar haar hoofd en zakte langzaam naar beneden.
    Alsof iemand heel beheerst het licht uitdeed.
    Witte jas.
    Wit gezicht.
    Beetje bloed.
    Iets ouds in mij sprong aan.
    Hand onder haar hoofd.
    Druk op de wond.
    “Bel 15,” zei iemand.
    Maar zij was me voor.
    “Non, non, pas le 15.
    Pas les pompiers.
    Je ne veux pas aller à l’hôpital.”
    Geen ambulance.
    Geen ziekenhuis.
    Alsof dát het echte drama was.
    In Frankrijk bel je bij medische nood 15, de Service d’Aide Médicale Urgente.
    Of de pompiers komen.
    Brandweer en ambulance in één.
    Ze nemen je mee naar de urgences.
    En dan begint het wachten.
    Uren soms.
    In Nederland denk je nog: ik ga even langs de huisarts.
    Daar zit iets tussen vallen en infuus.
    Hier niet.
    Hier is het meteen groot.
    En groot betekent ziekenhuis.
    Dat wilde zij niet.
    Nou ben ik geen verpleegkundige meer.
    maar bénévole.
    En als bénévole mag je officieel maar één ding.
    15 bellen.
    Heb ik geleerd in de cursus bij Croix-Rouge.
    Bij elk scenario.
    Bij ieder dilemma.
    Altijd 15.
    Netjes Frans handelen.
    Maar met mijn handen in haar bloed won iets anders.
    En dus werd wond afgedrukt.
    Kwam er een stoel uit de winkel.
    Koffie.
    En een koekje.
    Langzaam kleur op haar wangen.
    Vierdagen later kwam er via via een sms.
    Dank voor de zorg.
    Alles goed.
    Donderdag kom ik weer.

  • Een gevoel van geluk

    Een gevoel van geluk

    Een huis in de Cevennen hebben is heerlijk.

    Het weer is altijd goed.

    Althans, dat is de droom.

    Van zo’n stekje in Zuid-Frankrijk.

    De realiteit is echter anders.

    Die hangt soms aan de waslijn.

    En daarom mis ik iets.

    Namelijk mijn energiezuinige droger.

    Geen idee wat ik vijf jaar geleden dacht.

    In ieder geval niet dat ik zou moeten nadenken over waar de zon het langst staat.

    Of waar de was het minst in het zicht hangt.

    Er waren twee waslijnen beneden.

    Daar zou ik elke week mijn was ophangen.

    Dus kocht ik alleen een wasmachine.

    Geen droger.

    Dat leek mij niet nodig.

    In hartje zomer klopt dat.

    Dan hang ik de was beneden.

    De tocht ernaartoe is cardio.

    Terug al helemaal.

    Maar vooruit.

    Eenmaal opgehangen wappert alles zo droog.

    Tout le monde doet dat hier.

    Doorgezakte lijnen voor de deur.

    Gekleurde jurkschorten.

    Lakens met bloemetjes.

    Lakens als vlaggen.

    Fransen drogen massaal aan de lijn.

    Vierentachtig procent, las ik ergens.

    Slechts een derde heeft een droger.

    Een gevoel van geluk, zeg ik.

    Maar in de winter is het andere koek.

    Dan is het nat.

    Zijn de huizen vochtig.

    En dus snap ik het.

    Dat elk dorp er wel eentje heeft.

    In een straatje, op een pleintje.

    Naast de Intermarché.

    Zo’n grote machine.

    Wasje erin.

    Droog eruit.

    In Nederland zag ik ze nooit.

    Huizen kleiner, ja.

    Maar bijna iedereen heeft een wasmachine en droger.

    De rest droogt op een rekje.

    Hier niet.

    Hier wapper je aan de lijn of ga je naar de wasserette.

    En ik heb nog steeds geen droger.

    Misschien wordt het tijd.

    Of ga ik net als mijn buurvrouwen.

    Nou ja gelukkig is het bijna lente.

  • Man

    Man

    Bijna vijf jaar wonen hij en ik hier.
    Nooit had ie gedacht dat dit zou gebeuren.
    Huisarts.
    In Frankrijk.
    Zonder een woord Frans toen nog.
    Maar hé, het gebeurde.
    Blijkbaar kan dat dus.
    Op je drieënzestigste nog een taal leren.
    En ook daarbij nooit zonder mening.
    Want altijd heeft Man een visie.
    Of een analyse.
    Hij is nou eenmaal een krantenlezer.
    Maar ook type praattafelgeneraal.
    Tot -nu- toe -dan.
    Want nu is ie gevraagd door de burgemeester van Molières-sur-Cèze.
    Die kwam langs.
    Of Man dat wel wilde. Op de lijst.
    In dit dorp van zo’n twaalfhonderd inwoners.
    Nou ja,
    met Gammal en Les Brousses erbij zo’n zeventienhonderd zielen.
    Verkiezingen zijn er op 15 en 22 maart 2026.
    Twee keer, inderdaad.
    Een tweede ronde als niemand de meerderheid haalt.
    En de grootste lijst levert de burgemeester.
    Stemmen gaat niet vanzelf.
    Je moet geregistreerd staan.
    Zelf doen.
    Op het gemeentehuis.
    Niks, geen stempas op de mat.
    En dus stemmen maar 700 mensen.
    Mocht de lijst van Man winnen, mag ie zich bemoeien met wat hij tot nu toe alleen in de Midi Libre las:
    5G‑actiegroepen.
    Geld dat er niet is.
    Huizen die tegen de vlakte moeten.
    Of juist toch niet.
    Bakkers zonder opvolger.
    Nieuw postkantoor in de mairie.
    Transport dat hapert.
    Water en riolering.
    En dat zes jaar.
    Maar voorlopig eerst die stembus.

  • Trendwatcher

    Trendwatcher

    Parijs was vier dagen mijn decor.
    Feest dus.
    En werken.
    Kijken wat ik had gemist.
    Kijken wat hip en hot was.
    Mode.
    Eten.
    Wat betreft dat laatste.
    In deze stad eet je net zo makkelijk Koreaans als een croissant.
    Deed ik dus.
    Ik at bibimbap.
    Geen idee hoe je het uitspreekt.
    En ik dronk thee van boekweit.
    Zag eruit als vogelvoer.
    Maar verrassend lekker.
    Bij aankomst keek Doutzen Kroes me vanaf een billboard aan.
    Sans Filtre.
    Stond er speciaal bij.
    Parijs is het andere Frankrijk.
    Meer de wereld van Oudste dan van mij.
    Zij beweegt hier alsof ze is geboren tussen metrolijnen en matcha.
    Ik niet.
    Ik kijk.
    Ik volg.
    Met lichte verbazing.
    Dankzij ChatGPT had ik trouwens geen complete metroblunders.
    Nou ja, alleen dat papieren kaartje dan.
    Verder blijft Parijs vooral veel.
    Mensen.
    Geluid.
    En toch, en toch kon je niet over de hoofden lopen.
    Er was lucht.
    Ruimte zelfs.
    En kunst.
    Overal.
    Zelfs waar ik niet zocht.
    Ook bleken we te kunnen lunchen in een zaak met houten lambrisering.
    Met foto’s uit een vorige eeuw, aardewerk aan de muur.
    Rode banken om tegenaan te kruipen.
    Jongste en ik keken elkaar aan boven ons bord.
    Dit was echt goed.
    Was achteraf een favoriet van Mara Grimm.
    Zo’n bekende van tout Amsterdam, die ik dan niet ken.
    Ik dacht gewoon, hier moeten we heen, dit ziet er wel vertrouwd Frans uit.
    Blijk ik toch iets trendwatcherigs in me te hebben.
    Al voelde ik na vier dagen wel mijn leeftijd in elke stap.
    Maar hé.
    Parijs is geen stad voor rust.
    Weet iedereen.
    En toch.
    Er waren plekken waar de drukte dimt.
    Waar de stad zachter praat.
    Waar je schoenen kunt passen zonder 88 andere klanten.
    Ja, ik signaleerde iets in Parijs.
    Er leek iets gaande.
    Die TikTok-rijen van de vorige keer?
    Ik zag ze niet meer.
    Let op : deze trendwatcher voorspelt het.
    Rust wordt de nieuwste trend.
    Telefoons gaan van tafel.
    Algoritmes zijn uit.
    De Gouden Gids komt terug.
    En plattelandsvrouwen worden weer hip.